gezamenlijke huishouding
Wie niet getrouwd is, maar wel een gezamenlijke huishouding voert met iemand, krijgt een uitkering voor een gehuwde.
Een gezamenlijke huishouding heb je als je met iemand op hetzelfde adres woont en de kosten of de zorg voor die huishouding deelt. Je kunt een gezamenlijke huishouding voeren met je echtgenoot/echtgenote, vriend of vriendin, zus, broer, neef, nicht of grootouder.
Je voert in ieder geval een gezamenlijke huishouding als je:
- - getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap hebt;
- - in één woning woont met je ex-echtgenoot of ex-partner;
- - een samenlevingscontract hebt afgesloten;
- - in één woning woont en samen een kind hebt (of als de ene partner het kind van de ander heeft erkend);
- - ergens anders als partners staat geregistreerd, bijvoorbeeld bij de Belastingdienst
Met je ouders of je kind (familie in de eerste graad) de woning delen, wordt niet als samenwonen beschouwd.
Voor de WWB (Bijstand), de IOAW en de IOAZ geldt nog een uitzondering: Ook samenwonende broers en zussen (familie in de tweede graad), waarvan de een zorg nodig heeft en afhankelijk is van de zorg van de ander, worden niet als samenwonend aangemerkt. Die zorgbehoefte moet door middel van een officiële indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg of een advies van de GGD in de gemeente, zijn vastgesteld.
Een LAT-relatie is geen gezamenlijke huishouding. Maar let op! Als je beiden een eigen woning hebt, maar toch meestal samen bent, kun je toch een gezamenlijke huishouding voeren. Waar precies de grens ligt, is moeilijk te zeggen. De gemeente heeft hiervoor wel richtlijnen die in bepaalde situaties kunnen worden toegepast. Sommige gemeenten gaan ervan uit dat je een gezamenlijke huishouding voert als je meer dan 4 dagen per week samen doorbrengt


