Sociale voorzieningen

De inhoud van dit artikel is gevalideerd

Wie niet in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien en niet (meer) in aanmerking komt voor een uitkering op grond van een sociale verzekeringswet, kan een beroep doen op de sociale voorzieningen. De meeste voorzieningen werken aanvullend: ze vullen een het gezinsinkomen aan tot het sociale minimum. Voor de sociale voorzieningen wordt geen premie betaald. Ze worden betaald uit de belasting opbrengsten. De meeste voorzieningen worden uitgevoerd door de gemeente.

 

De belangrijkste sociale voorziening is de Wet werk en bijstand (WWB), sinds 2004 de opvolger van de Algemene bijstandswet (AWB). De bijstand wordt wel het sluitstuk van de sociale zekerheid genoemd. De WWB zorgt ervoor dat mensen die niet in staat zijn in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, eerst alle hulp krijgen bij het vinden van werk en dat zij, als dit niet mogelijk is, toch een (minimum)inkomen hebben.

 

Andere voorzieningen zijn het Besluit bijstandverlening 2004 (BBZ 2004), de inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Wet werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK).

 

Ook de Toeslagenwet (TW) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) zijn voorzieningen.

 

De TW en WAJONG zijn als voorziening een vreemde eend in de bijt: ze worden uitgevoerd door het UWV.

Naast deze inkomensaanvullende voorzieningen zijn er nog inkomensondersteunende voorzieningen. De belangrijkste is de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), uitgevoerd door de gemeente.

 Ook de toeslagen van de Belastingdienst, zoals de Huurtoeslag en de Zorgtoeslag zijn inkomensondersteunende voorzieningen.